ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-uitkeringsrecht voor medewerker NATO met volkenrechtelijke status
Betrokkene was werkzaam bij de NATO in Nederland en had een arbeidscontract waarbij het sociale zekerheidsstelsel van de NATO van toepassing was. Hij ontving geen Nederlandse sociale verzekeringspremies, maar wel een vergoeding bij werkloosheid vanuit de NATO-regeling. Na beëindiging van het dienstverband vroeg betrokkene een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij geen verzekerde dienstbetrekking in Nederland had.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond vanwege een gebrek aan motivering door appellant. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de aanwijzing van de NATO als volkenrechtelijke organisatie en de toepassing van haar eigen sociale zekerheidsregeling, waaronder een ‘indemnity for loss of job’, ertoe leiden dat betrokkene geen werknemer is in de zin van de WW en dus geen recht heeft op een WW-uitkering.
De Raad benadrukt dat de NATO-regeling een subjectief recht op compensatie bij werkloosheid biedt en daarmee voldoet aan de criteria van artikel 3, vijfde lid, WW. Tevens wordt het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat eerdere afwijkingen door appellant berustten op fouten die niet herhaald hoeven te worden.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, en wijst proceskostenveroordeling af omdat deze niet zijn gevorderd.
Uitkomst: Betrokkene heeft geen recht op een WW-uitkering vanwege zijn dienstverband bij de NATO en de toepassing van de eigen werkloosheidsvoorziening van deze volkenrechtelijke organisatie.