ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering aan werknemer NATO wegens toepassing volkenrechtelijke regeling
Betrokkene was werkzaam bij de NATO en verzocht in december 2003 een WW-uitkering. Appellant weigerde deze uitkering omdat betrokkene geen werknemer in de zin van de WW zou zijn geweest, aangezien hij onder de sociale zekerheidsregeling van de NATO viel. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordelend dat de NATO-regeling geen werkloosheidsverzekering is, maar een ontslagvergoeding.
In hoger beroep stelde appellant dat de NATO wel een regeling kent voor de gevolgen van werkloosheid en dat op grond van verdragen en de zetelovereenkomst tussen Nederland en de NATO werknemers van de NATO zijn uitgesloten van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. Betrokkene voerde het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar eerdere gevallen waarin wel een WW-uitkering werd toegekend.
De Raad oordeelde dat de aanwijzing van de NATO als volkenrechtelijke organisatie alleen bindend is als die organisatie een regeling kent die de geldelijke gevolgen van werkloosheid compenseert. De NATO-regeling voorziet in een 'indemnity for loss of job', een vergoeding die het inkomensverlies compenseert. De Raad achtte deze regeling voldoende om betrokkene niet als werknemer in de zin van de WW te beschouwen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eerdere toekenningen van WW-uitkeringen aan NATO-werknemers berustten op fouten van appellant. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene geen WW-uitkering krijgt omdat de NATO-regeling de werkloosheidsrisico's dekt.