ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering aan werknemer NATO wegens toepassing volkenrechtelijke sociale zekerheidsregeling
Betrokkene, werkzaam bij de NATO in Nederland, verzocht in december 2003 een WW-uitkering. Deze werd geweigerd omdat hij geen werknemer in de zin van de WW was, aangezien de NATO als volkenrechtelijke organisatie een eigen sociale zekerheidsregeling heeft. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de NATO-regeling een voorziening biedt tegen werkloosheid in de vorm van een eenmalige 'indemnity for loss of job'.
De Raad stelt vast dat de aanwijzing van de NATO als volkenrechtelijke organisatie alleen bindend is voor de WW als die organisatie een regeling kent die de geldelijke gevolgen van werkloosheid compenseert. De NATO-regeling voldoet hieraan, ondanks dat het geen verzekering in traditionele zin betreft, omdat zij een subjectief recht op een vergoeding bij werkloosheid biedt.
Namens betrokkene werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar eerdere gevallen waarin wel WW-uitkeringen werden toegekend aan werknemers van volkenrechtelijke organisaties. De Raad acht deze eerdere beslissingen fouten van appellant en oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat dergelijke fouten worden herhaald.
De Raad bevestigt het bestreden besluit, behoudens de vernietigde motivering, en veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van proceskosten aan betrokkene. Er wordt geen recht geheven van appellant omdat het hoger beroep inhoudelijk slaagt.
Uitkomst: Betrokkene heeft geen recht op WW-uitkering wegens toepassing van de volkenrechtelijke sociale zekerheidsregeling van de NATO.