ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering aan werknemer van volkenrechtelijke organisatie NATO
Betrokkene, werkzaam bij de NATO, verzocht in december 2003 om een WW-uitkering. Appellant weigerde deze omdat betrokkene geen werknemer in de zin van de WW zou zijn vanwege zijn dienstverband bij een volkenrechtelijke organisatie. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond vanwege een motiveringsgebrek in het besluit.
In hoger beroep werd uitgebreid besproken of de aanwijzing van NATO als volkenrechtelijke organisatie ook bindend is voor de WW-toepassing. De Raad oordeelde dat dit alleen geldt als de organisatie een regeling kent die de geldelijke gevolgen van werkloosheid compenseert. Uit de NATO Civilian Personnel Regulations blijkt dat een "indemnity for loss of job" bestaat, een vergoeding bij werkloosheid.
De Raad concludeerde dat betrokkene terecht niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd en dus geen WW-uitkering kan krijgen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eerdere fouten van appellant niet herhaald hoeven te worden en recente afwijkingen niet aantoonbaar beleidsmatig waren. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Betrokkene krijgt geen WW-uitkering omdat hij geen werknemer in de zin van de WW is vanwege zijn dienstverband bij NATO.