ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering aan werknemer van volkenrechtelijke organisatie NATO
Betrokkene was sinds 1973 werkzaam bij de NATO, waar het sociaal zekerheidsstelsel van de organisatie op hem van toepassing was. Na beëindiging van zijn dienstverband in 2004 ontving hij een eenmalige vergoeding (‘indemnity for loss of job’). Hij verzocht om een WW-uitkering, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd omdat hij geen werknemer in de zin van de WW was.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond vanwege een motiveringsgebrek van het UWV, maar in hoger beroep werd dit standpunt verworpen. De Raad oordeelde dat de aanwijzing van NATO als volkenrechtelijke organisatie en de toepassing van de NATO Civilian Personnel Regulations, waaronder de voorziening tegen werkloosheid, ertoe leiden dat betrokkene niet als werknemer volgens de WW kan worden aangemerkt.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eerdere beslissingen waarin wel een WW-uitkering werd toegekend berustten op fouten van het UWV. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene en bevestigde het bestreden besluit, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Uitkomst: De WW-uitkering aan betrokkene wordt geweigerd omdat hij geen werknemer in de zin van de WW was.