ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2067 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArt. 61 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar berekening periodieke uitkering vervolgingsslachtoffer

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarbij zijn bezwaar tegen de berekening van de periodieke uitkering over bepaalde jaren niet-ontvankelijk werd verklaard. De Raad oordeelde dat de berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 definitief was vastgesteld voor de jaren 1999, 2000 en 2004 en vanaf 1 januari 2005 voorlopig, maar geen nieuw besluit bevatte over de jaren 2001 tot en met 2003.

Appellant stelde dat de berekening over de jaren 2001 tot en met 2003 op een onjuiste feitelijke grondslag berustte. De Raad overwoog dat deze jaren niet onderwerp waren van de bestreden beschikking en dat het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De appellant werd gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 een verzoek tot herziening van eerdere berekeningsbeschikkingen in te dienen.

De Raad concludeerde dat het beroep niet tot vernietiging van het besluit kon leiden en dat er geen aanleiding was voor vergoeding van proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens ontbreken van een nieuw besluit over de jaren 2001 tot en met 2003.

Uitspraak

06/2067 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 28 februari 2006, kenmerk JZ/L80/2006, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.
Bij berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 is de appellant over de jaren 1999, 2000 en 2004 toekomende periodieke uitkering definitief, en vanaf 1 januari 2005 voorlopig vastgesteld.
Tegen deze berekeningsbeschikking heeft appellant bij schrijven van 8 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Hierbij heeft appellant - voorzover nog van belang - grieven aangevoerd betreffende de berekening van zijn periodieke uitkering over de jaren 2001 tot en met 2003.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster het door appellant ten aanzien van deze jaren ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond - kort gezegd - dat de periodieke uitkering over die jaren al bij eerdere berekeningsbeschikkingen definitief was vastgesteld en dat de aangevochten berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 daarover geen nieuw of nader besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In beroep heeft appellant aangevoerd - samengevat - dat inmiddels is gebleken dat de berekening van de periodieke uitkering over de jaren 2001 tot en met 2003 berust op een onjuiste feitelijke grondslag.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat de berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 niet handelt en ook niet behoefde te handelen over de jaren 2001 tot en met 2003. De door appellant hierover ingebrachte grieven treden derhalve buiten het onderwerp van die beschikking en het bezwaar is dan ook in dat opzicht terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad merkt nog op dat appellant zich op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet kan wenden tot verweerster met een verzoek om de al eerder genomen berekenings-beschikkingen over de jaren 2001 tot en met 2003 te herzien, indien naar zijn mening sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die op die berekeningen een ander licht werpen.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd niet tot vernietiging van het nu bestreden besluit kan leiden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.