ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Onterecht blijvend geheel geweigerde WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellant was arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en werkte gedeeltelijk gereïntegreerd bij zijn werkgever. Na het staken van zijn werkzaamheden in maart 2002 vroeg hij in mei 2003 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering blijvend geheel omdat appellant niet voldoende had meegewerkt aan reïntegratie, met name doordat hij op 13 januari 2003 niet op het werk verscheen terwijl hij medisch gezien daartoe in staat werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel de intentie had te hervatten maar door psychische klachten terugkeerde naar huis en dat het gebruikelijk is niet te werken zolang een deskundigenoordeel ontbreekt.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek heeft verricht alvorens het besluit te nemen en dat appellant zich niet zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij de beëindiging van zijn dienstbetrekking had moeten voorzien. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering is ten onrechte blijvend geheel geweigerd en het besluit wordt vernietigd.