ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking en terugvordering kinderbijslag wegens onjuiste grondslag
Appellante ontving kinderbijslag voor haar dochter tot en met het derde kwartaal van 2001. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde op basis van een frauderapport dat appellante vanaf 25 november 1996 grotendeels in Duitsland woonde en dat de vader van de dochter daar kinderbijslag ontving. Op grond daarvan werd het recht op kinderbijslag ingetrokken en teruggevorderd, met een boete opgelegd wegens het niet melden van relevante informatie.
Appellante voerde aan dat zij in Nederland woonde tot haar emigratie in 1999 en dat zij niet beschikte over gegevens over de werkzaamheden van de vader van haar dochter. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat de rechtbank ten onrechte niet oordeelde over het tweede besluit en dat de juridische grondslag van het intrekkingsbesluit niet houdbaar was.
De Raad oordeelde dat de bepalingen van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) niet van toepassing zijn bij samenlopende rechten op gezinsbijslagen uit verschillende lidstaten en dat de Europese verordening 1408/71 bepalingen bevat over de bevoegdheid en schorsing van kinderbijslag. De Raad vernietigde de bestreden besluiten en beval de Svb tot nieuwe besluitvorming met inachtneming van de juiste rechtsregels.
Daarnaast werd appellante in de proceskosten van het hoger beroep en de zitting in beroep veroordeeld. De Raad wees erop dat op basis van de beschikbare gegevens redelijkerwijs van appellante kan worden verlangd relevante informatie over de werkzaamheden van haar partner te verstrekken vanaf de peildatum 25 november 1996.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van de Sociale verzekeringsbank en beveelt nieuwe besluitvorming.