ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens niet-jonggehandicapte status
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een WAJONG-uitkering toe te kennen op grond van arbeidsongeschiktheid die op zijn 17e zou zijn ingetreden. De rechtbank Amsterdam had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat appellant niet voldeed aan de criteria van jonggehandicapte zoals bedoeld in artikel 5 van Pro de Wajong.
De rechtbank baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen en verklaringen van een voormalig leidinggevende waaruit bleek dat appellant ondanks zijn persoonlijkheidsstoornis enige jaren had kunnen functioneren in het arbeidsproces. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van persoonsverwisseling en dat de verklaringen onbetrouwbaar waren, en dat hij al op jonge leeftijd ernstige psychische problemen had.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische stukken had ingebracht om het oordeel van de verzekeringsartsen te betwisten. Ook achtte de Raad de verklaring van de leidinggevende betrouwbaar en vond geen aanwijzingen dat deze op de broer van appellant sloeg. Het feit dat appellant circa drie jaar heeft gewerkt zonder dat uit medische stukken blijkt dat hij dit werk niet aankon, versterkte dit oordeel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering bevestigd.