ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van ziekengeld na antibioticabehandeling wegens beenklachten
Appellant verzocht het UWV om een ziekengelduitkering over de periode van 10 juni 2003 tot en met 5 oktober 2003 vanwege pijnklachten in het linkerbeen. Het UWV wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Breda oordeelde eveneens dat appellant geen recht had op ziekengeld, mede gebaseerd op de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die zich baseerden op informatie van de huisarts en het feit dat de antibioticakuren al voor 10 juni 2003 waren afgerond. Tevens bleek uit overleg met de huisarts geen medische informatie die het recht op ziekengeld ondersteunde voor de periode na 6 juni 2003.
Appellant stelde in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing dat zijn klachten voortduurden, maar de Centrale Raad van Beroep vond dit onvoldoende om het eerdere oordeel te wijzigen of een aanvullend medisch onderzoek te gelasten. De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd, waarmee het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld rechtsgeldig bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van ziekengeld bevestigd.