ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6483

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1693 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor gangbare arbeid na WAO-schatting

Appellant, voormalig werknemer bij een technisch uitzendbureau, meldde zich ziek met klachten van acute kortademigheid en beklemming op de borst. Na afloop van de wachttijd werd hem een WAO-uitkering geweigerd omdat hij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid, waaronder functies als productiemedewerker en inpakker.

Later meldde appellant zich opnieuw ziek vanuit de Werkloosheidswet. Een verzekeringsarts verklaarde hem hersteld omdat er geen toename van klachten was. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en werd door een bezwaarverzekeringsarts onderzocht, die het eerdere medische oordeel bevestigde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn erfelijke cardiale aandoening hem ongeschikt maakt voor arbeid en dat een psychiatrische expertise nodig is vanwege mogelijke corfobie. De Raad oordeelde dat het medisch oordeel voldoende zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor psychische klachten die nader onderzoek vereisten.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij werd vastgesteld dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies geselecteerd bij de WAO-schatting, zodat geen recht op ziekengeld meer bestaat.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1693 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 januari 2005, 04/711 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.H.M. Graafmans, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, voorheen werkzaam bij een technisch uitzendbureau, meldde zich per 19 mei 2002 ziek met klachten van acute kortademigheid en een beklemmend gevoel op de borst. Bij het bereiken van het einde van de wachttijd werd appellant in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering geweigerd omdat hij geschikt werd geacht gangbare arbeid te verrichten. Als gangbare arbeid zijn hem onder meer de functies productiemedewerker filetafdeling, inpakker (handmatig) en productiemedewerker pluimveeslachterij voorgehouden.
Appellant heeft zich met ingang van 16 februari 2004 vanuit de Werkloosheidswet (WW) wederom ziek gemeld vanwege druk op de borst. Ter zake van het onderhavig ziektegeval heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die hem met ingang van 21 juni 2004 hersteld verklaarde omdat geen sprake was van een toename van de klachten in vergelijking met de eerdere beoordeling in het kader van de WAO.
Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 juni 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). In het kader van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is hij op de hoorzitting gezien door bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz die hem in aansluiting daarop lichamelijk heeft onderzocht. Deze verzekeringsarts concludeerde, na informatie van de huisarts van appellant te hebben ontvangen, dat er geen medische argumenten waren om af te wijken van het primaire medische oordeel.
Bij besluit van 24 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij op grond van zijn erfelijke cardiale aandoening niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten en dat de enkele brief van de huisarts te mager is om de conclusie te trekken dat appellant duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Voorts stelt appellant dat nu door de Uwv-artsen is geconstateerd dat er mogelijk ook sprake is van corfobie, een psychiatrische expertise voor de hand ligt.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (hierna: ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts is bevestigd door een voldoende zorgvuldig onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling niet alleen informatie heeft betrokken van de huisarts van appellant, maar ook van de cardioloog van 1 juli 2003 en 9 september 2003. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant zelf onderzocht.
Ten aanzien van de grief dat een psychische expertise voor de hand zou liggen nu de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat mogelijk sprake zou zijn van angst of corfobie, overweegt de Raad dat niet is gebleken dat appellant voor dergelijke psychische klachten onder behandeling is gekomen. Evenmin is van de zijde van appellant, met betrekking tot de andere klachten, nadere medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen uitgevoerde medische beoordeling.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) P. van der Wal.