ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAZ-uitkeringszaak
Appellante ontving sinds 1998 een WAZ-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na bezwaar en beroep werd dit percentage in 2003 verlaagd naar 45-55%, wat door appellante werd bestreden. In 2006 herstelde het UWV het oorspronkelijke percentage met terugwerkende kracht.
Appellante vorderde immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure, stellende dat het UWV tekort was geschoten. De Raad oordeelde dat de totale procedure ruim vijfeneenhalf jaar duurde, wat de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro overschreed. De overschrijding werd echter toegerekend aan de rechterlijke behandeling, niet aan het UWV.
Het verzoek om vergoeding van renteschade werd afgewezen omdat deze reeds was voldaan. De proceskosten werden gedeeltelijk toegewezen, waaronder kosten voor rechtsbijstand, maar niet voor medische rapporten zonder onderbouwing.
De Raad benadrukte dat voor gevolgen van overschrijding door rechterlijke behandeling de burgerlijke rechter moet worden benaderd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van Voorst en leden Wulffraat-van Dijk en Dijt op 17 januari 2007.
Uitkomst: Verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn door UWV wordt afgewezen; UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.