ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7205

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1062 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-tijdige betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege deze niet-tijdige betaling.

Appellant deed hiertegen verzet, dat ter zitting werd behandeld zonder aanwezigheid van partijen. De Raad overwoog dat het griffierecht niet binnen de termijn van vier weken na de aangetekende brief was voldaan en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in verzuim was.

De Raad stelde dat het griffierecht geen wezenlijke belemmering vormt voor toegang tot de rechter en dat het voorschrijven van een betalingstermijn met niet-ontvankelijkheid als sanctie rechtmatig is. Uitstel was verleend, maar appellant reageerde niet meer op de brief met het laatste uitstel. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/1062 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 december 2005, 04/566 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 16 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 13 juli 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 december 2006, waar partijen - het College met voorafgaand bericht daarvan - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 berust kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 105,-- niet binnen de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 4 mei 2006 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is het antwoord op de vraag of het hoger beroep van appellant terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
Van het ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht kan niet worden gezegd dat het de in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde toegang tot de rechter wezenlijk belemmert. Niet valt in te zien dat dit artikel de wetgever zou verbieden een betalingstermijn voor te schrijven en aan niet verschoonbare overschrijding van die termijn het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid te verbinden. In geval van betalingsproblemen, bijvoorbeeld door een cumulatie van te betalen griffierechten in procedures die binnen korte tijd na elkaar aanhangig worden gemaakt, kan op verzoek de termijn van vier weken worden verlengd.
In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 13 juli 2006 is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden die kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat bij het verlenen van het eerste uitstel aan appellant voor de betaling van het griffierecht rekening is gehouden met de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht die appellant bij het College had ingediend. Nadat op deze aanvraag was beslist, heeft de Raad bij brief van 4 mei 2006 aan appellant op diens verzoek een nader uitstel voor een periode van vier weken verleend. Appellant heeft op die brief niet meer gereageerd.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.C. de Wit.
EK2112