Art. 32a AWBZArt. 8 EVRMArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing verzoek tot vrijwillige AWBZ-verzekering wegens niet-verzekerd zijn voorafgaand aan 2000
Appellante, woonachtig in Spanje sinds 1986, verzocht om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode vanaf 1 januari 2000. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat appellante niet verplicht verzekerd was geweest op 31 december 1999, een vereiste voor vrijwillige verzekering volgens artikel 32a van de AWBZ.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante grotendeels ongegrond en niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op artikel 32a AWBZ. In hoger beroep stelde appellante dat de afwijzing haar dwong terug te keren naar Nederland en dat haar recht op gezinsleven werd geschonden, evenals dat er sprake was van onrechtmatig onderscheid tussen verzekerden. De Raad oordeelde dat appellante gedurende de periode een daadwerkelijk gezinsleven met haar echtgenoot had en dat er geen onderscheid werd gemaakt in artikel 32a AWBZ tussen verschillende verzekeringscategorieën.
Verder stelde appellante dat zij niet geïnformeerd was over het verlies van haar verzekeringspositie. De Raad vond dat eventuele verwachtingen van appellante niet konden leiden tot een afwijking van de wettelijke bepalingen, omdat geen bindende toezeggingen waren gedaan. De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijwillige verzekering omdat zij voorafgaand aan 1 januari 2000 niet verzekerd was ingevolge de AWBZ en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ wordt afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden voorafgaand aan 1 januari 2000.
Uitspraak
04/495 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2003, 01/4444 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 20 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellante te kennen gegeven naar haar mening belang te hebben bij voortzetting van de procedure.
Het geding is voor de eerste maal behandeld ter zitting van 21 juni 2006. Namens appellante is daar verschenen mr. W.J.M. van Tongeren. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.J. Mastenbroek.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 17 november 2006. Appellante is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie.
II. OVERWEGINGEN
Appellante woont sinds 1986 met haar echtgenoot in Spanje. Haar echtgenoot ontving toen een invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abpw) op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en was op grond hiervan verzekerd krachtens de volksverzekeringswetten. Appellante ontving zelf bij vertrek geen uitkering ingevolge de Nederlandse wetgeving. Sinds februari 1997 ontvangt appellante een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Bij formulier gedateerd 29 mei 2001 heeft appellante de Svb verzocht om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Bij primair besluit van 11 juli 2001 heeft de Svb het verzoek van appellante afgewezen onder de overweging dat appellante op 31 december 1999 niet verplicht verzekerd was krachtens de AWBZ. Bij het bestreden besluit van 8 november 2001 heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard voorzover dit is gericht tegen artikel 32a van de AWBZ. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij door het besluit van de Svb wordt gedwongen terug te keren naar Nederland en langdurig gescheiden van haar echtgenoot te leven. Zij heeft een beroep gedaan op het recht op een ongestoord gezinsleven als verwoord in artikel 8 vanPro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154 (hierna: EVRM). Naar het oordeel van appellante wordt een onrechtmatig onderscheid gemaakt tussen verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en personen die particulier verzekerd zijn tegen ziektekosten. Ten slotte zou aan het echtpaar bij vertrek uit Nederland niet duidelijk zijn gemaakt dat appellante niet langer verzekerd zou zijn.
De Svb blijft bij haar oordeel dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden welke in artikel 32a van de AWBZ worden gesteld voor het ontstaan van een bevoegdheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ.
De Raad overweegt als volgt.
De mogelijkheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ betreft tijdvakken vanaf 1 januari 2000 en is in het leven geroepen bij artikel 32a van de AWBZ. Deze bepaling is van kracht gebleven tot 1 januari 2006. Ten aanzien van tijdvakken vanaf 1 januari 2006 bestaat niet langer een mogelijkheid tot vrijwillige verzekering. De onderhavige procedure betreft dus de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering van appellante over het reeds verstreken tijdvak 1 januari 2000 tot 1 januari 2006. Nu appellante te kennen heeft gegeven belang te hechten aan voortzetting van de onderhavige procedure en nu enig belang met het oog op de toepassing van supranationale coördinatieregels niet volledig kan worden uitgesloten, acht de Raad geen termen aanwezig om het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk te verklaren.
Ingevolge artikel 32a, eerste en tweede lid, van de AWBZ kan degene wiens verzekering ingevolge de AWBZ is geëindigd, onder voorwaarden de AWBZ-verzekering vrijwillig voortzetten indien hij buiten Nederland woont en onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van de vrijwillige verzekering ten minste een jaar onafgebroken verzekerd is geweest ingevolge de AWBZ.
Naar het oordeel van de Raad is appellante gedurende het jaar direct voorafgaande aan de beoogde ingangsdatum van de vrijwillige verzekering (1 januari 2000) niet verzekerd geweest ingevolge de AWBZ. Appellante ontvangt sinds 1 februari 1997 een AOW-pensioen. Op grond van het toen nog van kracht zijnde artikel 26, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) leidde de ontvangst van een AOW-pensioen slechts tot verzekering krachtens de volksverzekeringen indien dat recht aansloot op de verplichte verzekering op grond van de volksverzekeringen dan wel op de vrijwillige verzekering krachtens de AOW/Anw.
In het geval van appellante was van verzekering direct voor 1 februari 1997 geen sprake nu zij niet in Nederland woonde of werkte en ook niet op grond van enige bepaling in KB 746 verplicht verzekerd was. Bovendien was appellante direct voorafgaand aan
1 februari 1997 niet vrijwillig verzekerd ingevolge de AOW/AWW. Appellante is daarom toen zij het AOW-pensioen ging ontvangen niet gaan behoren tot de kring van verzekerden krachtens de volksverzekeringen.
Gelet hierop voldoet appellante niet aan de voorwaarden die in artikel 32a van de AWBZ werden gesteld voor het ontstaan van een bevoegdheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ.
Met betrekking tot de grief van appellante dat het feit dat zij zich tot 1 januari 2006 niet vrijwillig kon verzekeren ingevolge de AWBZ afbreuk heeft gedaan aan haar aanspraken op grond van artikel 8 vanPro het EVRM, oordeelt de Raad dat is gesteld noch gebleken dat de gewraakte regeling appellante daadwerkelijk heeft beperkt in de beleving van haar gezinsleven, nu er gedurende de gehele litigieuze periode sprake is geweest van een daadwerkelijk gezinsleven tussen appellante en haar echtgenoot. Deze grief dient reeds om die reden te worden verworpen.
Voorzover appellante heeft willen stellen dat artikel 32a van de AWBZ een ongeoorloofd onderscheid maakte tussen verzekerden ingevolge de Zfw en personen die particulier verzekerd zijn tegen ziektekosten, verwerpt de Raad deze grief. Alle personen die niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de AWBZ en die voldeden aan de voorwaarden gesteld in artikel 32a van de AWBZ waren immers bevoegd tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ. In deze bepaling werd geen onderscheid gemaakt tussen verzekerden ingevolge de Zfw en particulier verzekerden. Voorzover appellante heeft bedoeld te stellen dat de bepalingen inzake de verplichte verzekering krachtens de AWBZ een ongeoorloofd onderscheid bevatten tussen particulier verzekerden en verzekerden ingevolge de Zfw, merkt de Raad op dat hij zich over deze stelling in dit geding niet kan uitlaten. Bij het bestreden besluit is immers slechts vastgesteld dat appellante niet bevoegd was zich vrijwillig te verzekeren. Appellante zou, zo zij verplicht verzekerd was geweest ingevolge de AWBZ, evenmin de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering krachtens deze wet hebben gehad.
Appellante heeft ten slotte gesteld dat niemand haar of haar echtgenoot voorafgaand aan het vertrek heeft geattendeerd op het feit dat zij niet langer verzekerd zou blijven ingevolge de AWBZ. In verband hiermee heeft zij een brief overgelegd van het hoofd van de afdeling pensioengerechtigden van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) waarin aan de echtgenoot van appellante is medegedeeld dat op hem na vertrek naar Spanje in principe de volksverzekering AOW/AWW van toepassing blijft. In deze brief, die van een ander bestuursorgaan dan de Svb afkomstig is, wordt niets gesteld over de verzekeringspositie van appellante na vertrek krachtens enige volksverzekeringswet. Dat appellante deze brief aldus heeft opgevat dat zij ook zelf verzekerd zou blijven, dient voor haar risico te blijven. Nu ook overigens niet is gebleken van aantoonbare en onvoorwaardelijke toezeggingen door een bevoegd bestuursorgaan die voor appellante gedragsbepalend zijn geweest en tot onomkeerbare stappen hebben geleid, is er geen sprake van zo bijzondere omstandigheden dat strikte naleving van de wettelijke bepalingen door de Svb geen rechtsplicht meer kan zijn. Eventuele verwachtingen bij appellante kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat de Svb appellante in strijd met artikel 32a van de AWBZ tot de vrijwillige verzekering ingevolge die wet had moeten toelaten.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep van appellante geen doel treffen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één der partijen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.