ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. Van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wachttijd en weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Betrokkene is op 10 juni 2002 wegens rugklachten arbeidsongeschikt geraakt en heeft sindsdien loon doorbetaald gekregen door haar werkgever. Appellant, het UWV, weigerde op 7 mei 2003 een WAO-uitkering toe te kennen omdat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar handhaafde appellant dit besluit met gewijzigde motivering, stellende dat de wachttijd van artikel 19 WAO Pro niet was volgemaakt vanwege een hersteldverklaring per 17 februari 2003.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en onvoldoende zelfstandig onderzoek door appellant, met name omdat de second opinion van de verzekeringsarts geen inhoudelijke beoordeling gaf. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om zelfstandig te beoordelen of de wachttijd is vervuld en dat dit onderzoek ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende was.
In hoger beroep overweegt de Raad dat appellant terecht het standpunt inneemt dat betrokkene de wachttijd niet heeft voltooid, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die concludeert dat betrokkene vanaf 17 februari 2003 geschikt was voor haar werk. De Raad laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand en bevestigt de weigering van de WAO-uitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De weigering van de WAO-uitkering wordt gehandhaafd omdat de wachttijd niet is vervuld.