ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante had bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een huurschuld van €2.438,43, welke schuld door haar oom in twee termijnen was voldaan. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, verwijzend naar artikel 11 van Pro de WWB.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde onder meer een beroep op het vertrouwensbeginsel aan. De Raad stelde vast dat appellante ten tijde van het ontstaan van de schuld en daarna beschikte over een bijstandsuitkering waarmee zij in de noodzakelijke kosten van het bestaan kon voorzien.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB geen recht op bijstand bestaat voor aflossing van schulden als degene beschikt over middelen voor noodzakelijke kosten. Ook zag de Raad geen zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB die een uitzondering zouden rechtvaardigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van een toezegging door het College.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak voor zover die was aangevochten en wees een veroordeling in de proceskosten af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de huurschuld wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.