ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst - Hagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en toekenning WAJONG-uitkering na bezwaar en hoger beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 11 juni 2002, waarin haar een WAJONG-uitkering werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Na vernietiging van een eerder besluit door de rechtbank, heeft het UWV op 22 juli 2004 een nieuw besluit genomen waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 65-80%.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante beoordeeld en geoordeeld dat zij geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en oordeelt dat het nader besluit van het UWV stand kan houden.
De Raad wees ook de stellingen van appellante af dat het rapport van de longarts niet was betrokken en dat zij onvoldoende Nederlands beheerst om de voor haar geschikte functies te vervullen. De Raad concludeert dat de functies wel realistisch zijn en dat appellante voldoende taalvaardigheid bezit.
Ten slotte veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 22 juli 2004 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nadere besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.