ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7834

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5774 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens overschrijding termijn en ontbreken beroepsgronden

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar, maar het beroepschrift bevatte geen gronden, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet. De gemachtigde van appellant gaf aan de zaak niet langer te zullen behandelen, waarna appellant meerdere malen in de gelegenheid werd gesteld alsnog de beroepsgronden in te dienen.

Ondanks herhaalde verzoeken, waaronder aangetekende brieven met duidelijke termijnen en waarschuwingen, heeft appellant geen gronden ingediend. Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen.

De Raad concludeert daarom dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en besluit zonder verder onderzoek. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter C.P.J. Goorden en uitgesproken in aanwezigheid van griffier E. Blijleven-de Vries.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden binnen de gestelde termijnen.

Uitspraak

06/5774 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 augustus 2006, 05/3253 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Datum uitspraak: 24 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.
Bij brief van 16 oktober 2006 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Mr. D.S. de Ploeg heef bij schrijven van 1 november 2006 te kennen geven appellant niet langer te zullen bijstaan als gemachtigde.
Bij schrijven van 9 november 2006 is aan appellant gevraagd aan te geven of appellant het hoger beroep al dan niet wenst voort te zetten nu mr. D.S. de Ploeg appellant niet langer zal bijstaan als gemachtigde. Daarbij is verzocht indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, binnen vier weken na dagtekening van deze brief alsnog de gronden van het hoger beroep in te zenden.
Bij aangetekende brief van 11 december 2006 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan leiden.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Nu niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) E. Blijleven-de Vries.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen en (andere) belanghebbenden binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.