ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken medische objectieve beperkingen
Appellant, voormalig directeur van een internet- en telecombedrijf, viel uit wegens psychische klachten en rugklachten en verzocht om een WAO-uitkering. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht op medische gronden. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn medische verklaringen wel degelijk arbeidsongeschiktheid aantonen.
De rechtbank Almelo oordeelde dat het UWV-besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat onvoldoende objectief vaststaat dat appellant niet in staat is voltijds arbeid te verrichten. In hoger beroep voerde appellant nieuwe medische stukken aan, waaronder rapporten van psychiaters en psychologen, maar de Raad stelde vast dat deze onvoldoende aantonen dat er sprake is van medisch objectiveerbare beperkingen.
De Raad benadrukte dat de diagnose 'ongedifferentieerde somatoforme stoornis' of 'burnout' op zichzelf geen arbeidsongeschiktheid impliceert. Uit de medische stukken blijkt geen ernstige psychopathologie die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. Neuropsychologische onderzoeken toonden geen evident cognitief functieverlies en vonden plaats na de datum in geschil, waardoor ze niet relevant zijn voor de beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep af. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van medisch objectiveerbare beperkingen.