ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag loonbetalingsverplichting na faillissement werkgever volgens Werkloosheidswet
Appellant was werkzaam als hulpkok en ontving daarnaast een WAO-uitkering. Zijn werkgever werd failliet verklaard op 23 september 2003. Appellant diende zijn aanvraag voor een uitkering krachtens hoofdstuk IV van de WW niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 26 weken na het faillissement in.
Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond omdat de aanvraag te laat was ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de termijn zou rechtvaardigen. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellant af.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij door taalproblemen en doorverwijzingen binnen het UWV niet tijdig een aanvraag kon indienen. De Raad oordeelde echter dat appellant met hulp van een vriend tijdig contact had kunnen opnemen met de curator en dat hij niet tijdig hulp had gezocht toen duidelijk werd dat hij niet werd begrepen.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het UWV op goede gronden heeft beslist en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van de termijn af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.