ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verlaging en terugvordering WAZ-uitkering na winstverdeling en anticumulatieperiode
Appellant, een zelfstandige onderaannemer in betontimmerwerk, ontvangt sinds 1998 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Na omzetting van zijn bedrijf in een vennootschap onder firma met zijn echtgenote, werd de winstverdeling vastgesteld op 40% voor appellant in 1999 en 50% vanaf 2000. Het Uwv besloot in 2003 de WAZ-uitkering over 1999 en 2001 niet uit te betalen, de uitkering over 2000 te verlagen naar 25-35% arbeidsongeschiktheid en vanaf 1 januari 2002 de uitkering in te trekken vanwege een arbeidsongeschiktheid onder 25%. Tevens werd een terugvordering van €20.811,01 ingesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de fiscale winst ten onrechte als arbeidsinkomen werd gezien, dat de verlaging zonder medische keuring onjuist was en dat de terugvordering te laat volgde. De Raad oordeelde dat de fiscale winstverdeling leidend is bij de beoordeling van inkomsten uit arbeid, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die hier niet werden aangetoond. De verlaging van de uitkering is gerechtvaardigd op grond van artikel 58 WAZ Pro, waarbij anticumulatie over drie jaar leidt tot een schatting van de feitelijk gerealiseerde verdiencapaciteit, waarvoor geen medische keuring vereist is.
Hoewel het Uwv erkende dat de terugvordering vertraagd was, oordeelde de Raad dat dit niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, omdat er destijds geen geschil bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging en terugvordering van de WAZ-uitkering bevestigd.