ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- H. Bolt
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na plichtsverzuim en ontslag
Appellant was werkzaam als conciërge aan een openbare basisschool in Amersfoort. In oktober 2002 werd hem medegedeeld dat zijn dienstverband per 1 januari 2003 zou eindigen, maar deze mededeling werd in december 2002 teruggenomen en hij werd verwacht op zijn werk op 6 januari 2003. Appellant verscheen echter niet op zijn werk en werd gesommeerd alsnog te komen, wat hij naliet. Hierop werd een voornemen tot ontslag genomen en na zijn zienswijze werd hem per 1 april 2003 strafontslag verleend.
Naar aanleiding van zijn aanvraag voor een WW-uitkering besloot het UWV deze blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zonder duidelijke reden wegbleef van zijn werk en ernstig plichtsverzuim pleegde. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden zijn beroep ongegrond. De Raad oordeelde dat appellant zich niet kon beroepen op een rechtvaardiging voor zijn niet-hervatten van het werk, mede omdat de bestuurscommissie duidelijk had gemaakt dat het dienstverband voortduurde.
De Raad bevestigde de weigering van de WW-uitkering en wees een vergoeding van proceskosten af. Het hoger beroep van appellant werd verworpen, waarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.