ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8969

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5123 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en juiste vaststelling fiscale nettowinst

Appellant, samen met zijn vrouw eigenaar van een detailhandel in radio, tv en audio, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens rugklachten sinds september 1998. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en eerdere procedures kende het UWV een WAZ-uitkering toe, maar stopte de uitbetaling per 1 januari 2000 vanwege inkomsten uit arbeid.

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit de uitkering te beëindigen, stellende dat het UWV verkeerde fiscale winstcijfers hanteerde en de reductiefactor onjuist wijzigde. De Raad oordeelde dat de fiscale nettowinst als uitgangspunt geldt voor het inkomen uit arbeid en dat het genoemde premie-inkomen niet als basis kan dienen. Ook was de reductiefactorwijziging niet onjuist, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 25% bleef.

De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van de fiscale nettowinst af te wijken en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Arnhem wordt bevestigd en het bezwaar van appellant verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitspraak

04/5123 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 augustus 2004, 03/1541 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 8 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft N.D. Bovenkamp-Daane, werkzaam bij De Groot Heupner B.V. te Wijchen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Giebels.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die samen met zijn vrouw een detailhandel in radio/tv/audio drijft, heeft op 2 december 1998 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend, in verband met sedert 18 september 1998 bestaande rugklachten.
Het Uwv heeft bij besluit van 21 september 1999 de aanvraag afgewezen onder de motivering dat appellant na het volbrengen van de wachttijd per 17 september 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is te achten. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 april 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 6 november 2001 het beroep van appellant tegen het besluit van 6 april 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 maart 2002 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 september 1999 gegrond verklaard en vervolgens bij twee afzonderlijke besluiten van 31 juli 2002 respectievelijk met ingang van 17 september 1999 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en bepaald dat met ingang van 1 januari 2000 de WAZ-uitkering niet tot uitbetaling komt, gelet op de inkomsten van appellant. Tegen het laatste besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv van een verkeerde fiscale winst is uitgegaan. Volgens appellant dient uitgegaan te worden van een bedrag van fl. 51.560,--, waarop de AA-premies in mindering moeten worden gebracht, zodat een bedrag van fl. 50451,46 resteert. Appellant stelt zich tevens op het standpunt dat de reductiefactor ten onrechte is gewijzigd naar 20/47. De reductiefactor dient volgens appellant op 20/50 te worden gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Het door appellant genoemde bedrag van fl. 51.560,-- is in de jaarstukken over 2000 terug te vinden als het premie-inkomen waz. De Raad kan het Uwv volgen in zijn stelling dat de wet geen aanknopingspunt biedt om bij de berekening van het inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van Pro WAZ uit te gaan van dit premie-inkomen waz. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dienen de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige te worden gesteld op (het aan betrokkene toekomende deel van) de fiscale nettowinst, zijnde in dit geval fl. 54.889,--, tenzij gesproken moet worden van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit geval dergelijke omstandigheden niet voor.
Ten aanzien van de grief over de reductiefactor merkt de Raad op dat bij het hanteren van een reductiefactor van 20/50 de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds minder dan 25% bedraagt, zodat deze grief evenmin kan slagen.
Concluderend is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.