ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6276 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na juiste medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante was werkzaam als verkoopster totdat zij in juli 2000 uitviel wegens bekken- en psychische klachten. Na een wachttijd van 52 weken kreeg zij een volledige WAO-uitkering toegekend. In januari 2004 werd deze uitkering ingetrokken omdat zij volgens het UWV in staat werd geacht gangbare arbeid te verrichten met een vergelijkbaar inkomen.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond oordeelde dat de schatting van arbeidsongeschiktheid gebaseerd was op een juiste medische en arbeidskundige grondslag, waarbij de verzekeringsarts ook informatie van de behandelend neuroloog en psychiater had betrokken.

In hoger beroep stelde appellante dat zij niet in staat was arbeid te verrichten en dat haar gezondheid zou verslechteren bij volledige werkhervatting. De Raad concludeerde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Het standpunt van appellante dat het oordeel van haar psychiater niet was meegewogen, werd door de Raad als onjuist beoordeeld.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

04/6276 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 november 2004, 04/423 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat appellante met onbekende bestemming van haar laatstelijk bekende woonadres is vertrokken, heeft de Raad haar voor de zitting uitgenodigd via plaatsing van een advertentie in de Staatscourant.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.J.M.H. Lagerwaard.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als verkoopster voor 37 uur per week, totdat zij op 24 juli 2000 uitviel met bekkenklachten en psychische klachten. Na voltooiing van de wachttijd van 52 weken heeft appellante een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend gekregen. Bij besluit van 6 januari 2004 is de WAO-uitkering ingetrokken omdat appellante per 5 februari 2004 in staat wordt geacht gangbare arbeid te verrichten waarmee ze evenveel kan verdienen als zij verdiende met haar werkzaamheden van verkoopster.
Het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2004 is bij besluit van 5 april 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe overwogen dat de schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De verzekeringsarts heeft appellante zelf onderzocht en informatie van de appellante behandelend neuroloog en psychiater bij zijn besluitvorming betrokken. Vervolgens heeft hij de beperkingen van appellante in een Functionele Mogelijkheden Lijst neergelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich geheel met de conclusies van de primaire verzekeringsarts kunnen verenigen. Ook de arbeidskundige component van de zaak heeft de rechtbank in orde geacht.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is arbeid te verrichten. Het gaat niet goed met haar en als zij volledig moet gaan werken, vreest zij dat het nog slechter met haar zal gaan.
Thans ligt ter beantwoording de vraag of bij de aangevallen uitspraak terecht is beslist het beroep van appellante tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond te verklaren.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de rechtbank op goede gronden is verworpen - heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Het standpunt van appellante dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het oordeel van haar psychiater rust op een onjuiste of onvolledige lezing van de aangevallen uitspraak.
Gelet op het bovenstaande kan het hoger beroep niet slagen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.