ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8974

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4135 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding tegen UWV-besluit

Appellant stelde in hoger beroep dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaarschrift hem niet mocht worden aangerekend vanwege onduidelijkheden over het besluit en toezeggingen van een UWV-medewerker. De rechtbank had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en vond geen aanwijzingen dat bevoegde instanties toezeggingen hadden gedaan die de termijn zouden verlengen.

Appellants subsidiaire grief dat de termijn pas zou zijn gaan lopen na het wegnemen van onduidelijkheden met een brief van het UWV op 4 november 2005, vond geen steun in de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het hoger beroep af.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Brand en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

06/4135 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 juli 2006, 06/243 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door F. Beij sr.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2006. Voor appellant zijn verschenen mr. W. de Jong en F. Beij sr. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Kneefel.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 20 december 2005, waarbij het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van het Uwv van
20 september 2005 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Voor een overzicht van de aan het besluit van 20 december 2005 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding – dat sprake is van een overschrijding is niet in geding – hem niet mag worden aangerekend, omdat hij – met het oog op het al dan niet indienen van een bezwaarschrift – het Uwv herhaaldelijk heeft verzocht om de bij hem bestaande onduidelijkheid over de reikwijdte van het besluit van 20 september 2005 weg te nemen en hij op grond van uitlatingen van een Uwv-medewerker erop mocht vertrouwen dat de noodzaak tot indiening van een bezwaarschrift ontbrak.
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de te late indiening van het bezwaarschrift van appellant niet-verschoonbaar is en dat zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad kan de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.
Het is de Raad niet kunnen blijken dat van bevoegde zijde aan appellant of zijn gemachtigde in strijd met de wet toezeggingen zijn gedaan die inhouden dat appellant zich bij het indienen van een bezwaarschrift niet zou behoeven te houden aan de daarvoor geldende termijn. Appellants subsidiaire grief inhoudende dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 20 september 2005 eerst is gaan lopen nadat bij hem de onduidelijkheden over dit besluit met de brief van het Uwv van 4 november 2005 waren weggenomen vindt geen steun in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.