ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6203 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid

Appellant viel op 17 januari 2002 uit vanwege de ziekte van Pfeiffer en ontwikkelde daarna psychische klachten. Hij verzocht om een WAO-uitkering, die door het UWV per 27 juli 2003 werd geweigerd omdat appellant volgens hen in staat was zijn eigen werk en passend geachte functies te verrichten.

Appellant stelde in bezwaar en beroep dat onvoldoende medisch onderzoek was gedaan en dat er ten onrechte geen informatie was ingewonnen bij zijn behandelend specialisten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant ten tijde van belang niet werd behandeld en geen medische informatie had ingebracht.

In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe grieven aangevoerd, behalve een opname in een psychiatrische kliniek in december 2004, die voor de beoordeling van de situatie per 27 juli 2003 niet relevant is. De Raad volgt de medische beoordeling van het UWV en bevestigt de weigering van de WAO-uitkering. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen per 27 juli 2003.

Uitspraak

04/6203 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 september 2004, 04/653 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
Appellant is op 17 januari 2002 uitgevallen voor zijn werkzaamheden met de ziekte van Pfeiffer. Kort daarna kreeg appellant ook psychische klachten.
Bij besluit van 24 september 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 27 juli 2003, aan het eind van de zogenoemde wachttijd, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Naar het oordeel van het Uwv was appellant op genoemde datum in staat om met zijn psychische en sociale beperkingen zijn eigen werk weer te verrichten, alsmede een aantal voor hem passend geachte functies.
Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 24 september 2003 ongegrond verklaard.
Namens appellant is tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij is aangevoerd dat er onvoldoende medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, en dat er ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de behandelend specialisten van appellant.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat appellant ten tijde van belang niet werd behandeld voor zijn klachten, dat hij blijkens de brief van zijn huisarts van 10 februari 2003 sinds augustus 2002 niet meer bij de huisarts is geweest en dat appellant zelf ook geen medische informatie in het geding heeft gebracht.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven aangevoerd als in de beroepsprocedure bij de rechtbank. Bij brief van
21 december 2004 heeft zijn gemachtigde aangegeven dat appellant is opgenomen in een psychiatrische kliniek.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen nieuwe grieven heeft aangevoerd. Appellant heeft alleen gewezen op zijn opname in een kliniek in december 2004. Aangezien het in dit geding gaat om de vraag of appellant per 27 juli 2003 arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, kan die opname bij de beoordeling door de Raad van het hoger beroep geen rol spelen.
Evenals de rechtbank en met overneming van de relevante overwegingen in de aangevallen uitspraak, met name overweging 2.5, is de Raad van oordeel dat er geen reden is de medische beoordeling door het Uwv en de vastgestelde beperkingen niet te volgen.
Nu het hoger beroep alleen gericht was op de medische beoordeling en er ook overigens geen aanleiding is om de weigering om aan appellant een WAO-uitkering te verstrekken niet in stand te laten, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.