ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering bij geschil over mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de toegekende WAO-uitkering onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen en dat het besluit met terugwerkende kracht is genomen. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het UWV terecht een WAO-uitkering toekende op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 21 februari 2003.
De Centrale Raad van Beroep deelt het oordeel van de rechtbank en wijst de grieven van appellant af. Het beroep op een besluit met terugwerkende kracht faalt omdat het hier gaat om een besluit per einde wachttijd. Ook is voldoende gemotiveerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd passen binnen de vastgestelde beperkingen.
Het door appellant overgelegde medische rapport van twee artsen die tot een volledige arbeidsongeschiktheid komen, overtuigt de Raad niet omdat het niet voldoet aan de criteria van artikel 18 van Pro de WAO en niet specifiek betrekking heeft op de datum in geschil. Daarnaast is het beroep op het ontbreken van een externe deskundige door het UWV ongegrond, aangezien informatie van de behandelend arts is ingewonnen en als uitgangspunt is genomen.
De Raad ziet geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en bevestigt het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 15-25% en wijst het hoger beroep af.