ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9257

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6413 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging indeling arbeidsongeschiktheidsklasse na beoordeling beperkingen appellant

Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin zijn beroep op een hogere mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond werd verklaard. Hij stelde dat hij op 4 december 2003 zodanige beperkingen ondervond dat hij volledig beperkt was en niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte. De belastbaarheid zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 oktober 2003 zou niet overeenkomen met de werkelijkheid.

De Centrale Raad van Beroep nam de feiten en omstandigheden uit de aangevallen uitspraak als vaststaand aan. Het medisch onderzoek waarop de FML is gebaseerd, bestond uit dossierstudie en anamnese door de primaire verzekeringsarts, aangevuld met een lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad vond geen aanwijzingen dat het onderzoek onzorgvuldig was of dat de uitkomsten onjuist waren.

De door appellant overgelegde rapportages van een arbeidsdeskundige en het REA-college hadden geen betrekking op de datum van beoordeling. Ook latere medische rapporten toonden wel pijnklachten, maar gaven geen aanleiding om aan te nemen dat hiermee onvoldoende rekening was gehouden bij het opstellen van de FML.

De Raad oordeelde dat de functies waarop de schatting was gebaseerd (chauffeur bijzonder vervoer, chauffeur vracht-tankwagen, chauffeur personenbusje, directiechauffeur) passend waren, omdat deze functies voldoende afwisseling boden en de belastbaarheid van appellant niet overschreden. De vergelijking van de mediane loonwaarde van deze functies met het maatmaninkomen van appellant leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 30,9%, wat overeenkomt met de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%.

Uitspraak

04/6413 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 oktober 2004, 04/713 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft zich niet met het ongegrond verklaren van zijn beroep kunnen verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op de in geding zijnde datum van 4 december 2003 zodanige beperkingen ondervond, dat hij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte. Hij was volledig beperkt. De belastbaarheid zoals die is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 oktober 2003 komt naar zijn mening niet overeen met de werkelijkheid. Appellant is veel zwaarder beperkt.
De Raad oordeelt als volgt.
De primaire verzekeringsarts heeft appellant (in overleg met appellant) niet lichamelijk onderzocht maar heeft zich bij het vaststellen van die beperkingen in de FML gebaseerd op dossierstudie en de anamnese. Hij heeft in de FML aangegeven dat appellant niet mag worden blootgesteld aan extreme trillingsbelasting en dat staan en zitten afgewisseld moet kunnen worden met lopen. Tevens is appellant aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines en produktiepieken. De bezwaarverzekeringsarts, die appellant wel lichamelijk heeft onderzocht, heeft zich geheel kunnen vinden in de conclusies van de primaire verzekeringsarts. De Raad ziet geen reden aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht of dat de uitkomst van het onderzoek niet juist is. De in hoger beroep overgelegde rapportages van arbeidsdeskundige J.G.M. Wouters, (opgesteld in het kader van een aanvraag voor scholing) en een rapport van het REA-college van 6 december 2004 maken dit niet anders. Deze stukken hebben geen betrekking op de datum hier in geding. De rapporten van Atrium Medisch Centrum van
8 juni 2004 en 21 maart 2005 vermelden weliswaar dat appellant pijnklachten heeft, maar geenszins volgt uit deze rapporten dat met deze klachten bij het opstellen van de FML niet voldoende rekening is gehouden.
De schatting is gebaseerd op de functies chauffeur bijzonder vervoer, chauffeur vracht-tankwagen en chauffeur personenbusje, directiechauffeur. De Raad overweegt hieromtrent dat genoegzaam is gemotiveerd waarom appellant niet geschikt is zijn eigen werk als internationaal chauffeur, maar wel in staat is de aan de schatting ten grondslag liggende chauffeursfuncties te verrichten. De geduide functies bieden, in tegenstelling tot appellants eigen werk, voldoende afwisseling tussen zitten, staan en lopen en overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.
Ook voor het overige zijn de geduide functies geschikt voor appellant. Een vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies waarin het meest kan worden verdiend met het maatmaninkomen van appellant resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 30,9%, zodat het Uwv appellant terecht ingedeeld heeft in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
TM