ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen het besluit van het UWV van 28 maart 2003, waarbij een WAJONG-uitkering werd geweigerd. De rechtbank Amsterdam had dit besluit eerder bevestigd. Appellante stelde dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen, onder meer vanwege fibromyalgie en psychotherapie in 2002, en verzocht om een deskundigenonderzoek naar mogelijke simulatie.
De Raad overwoog dat de medische rapporten van verzekeringsartsen geen aanwijzingen bevatten voor onzorgvuldige of onjuiste vaststelling van de beperkingen. Psychotherapie was beperkt geweest en er was geen sprake van ernstige psychiatrische aandoeningen. De medische indicatie voor een woning op de begane grond en eerdere uitspraken in andere procedures konden niet leiden tot een andere beoordeling binnen het beoordelingskader van het UWV.
Verder werd geoordeeld dat een urenbeperking niet noodzakelijk was, omdat fysieke beperkingen voldoende waren vastgesteld. Er was geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen voor onderzoek naar simulatie, omdat geen dergelijke verdenking bestond.
Uiteindelijk concludeerde de Raad dat appellante op de datum in geschil in staat was tot het vervullen van haar functies met minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAJONG-uitkering bevestigd.