ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO- en WAZ-uitkeringsbesluiten ondanks betwiste arbeidsongeschiktheidspercentages
Appellante, geboren in 1945, was sinds 1992 arbeidsongeschikt vanwege hartklachten en later knieklachten. Na intrekking van een eerdere WAO-uitkering werd haar per 24 mei 2001 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Later werd een WAZ-uitkering toegekend met een lager percentage van 25 tot 35%, wat tot bezwaar en beroep leidde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV de gezondheidstoestand en beperkingen van appellante niet onjuist had ingeschat en dat zij in staat was de geduide functies te verrichten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen ondervindt, met name bij hurken en tillen, en dat de functies niet passend zijn.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht uitging van de lichtst mogelijke belastbaarheid, ook al erkent een deskundige een lichte beperking bij hurken. De Raad acht de functies passend en voldoende onderbouwd. Tevens is het niet in strijd met rechtszekerheid dat per dezelfde datum verschillende arbeidsongeschiktheidspercentages voor WAO en WAZ zijn toegekend, gezien het tijdstip van de aanvragen en beschikbare medische informatie.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante juist heeft ingeschat en verklaart het beroep ongegrond.