ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing taxivergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten vernietigd
Appellante diende meerdere aanvragen in voor een vervoersvoorziening in de vorm van een taxivergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvragen af, stellende dat appellante medisch in staat was gebruik te maken van het aanvullend collectief vervoer. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie inmiddels was verslechterd, waardoor zij het aanvullend collectief vervoer niet meer kon gebruiken. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan de vaste rechtspraak omtrent duuraanspraken en beperkte de beoordeling tot de periode vanaf de nieuwe aanvraag van 25 september 2002.
De Raad nam aan dat appellante vanaf 29 juli 2004 niet meer van het aanvullend collectief vervoer gebruik kon maken, mede op basis van een medische rapportage en een brief van de huisarts. Het besluit van 28 augustus 2003 werd daarom vernietigd en het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij appellante over de periode van 29 juli 2004 tot 13 oktober 2004 een taxivergoeding wordt toegekend.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee werd het beroep gegrond verklaard en werd het College verplicht de vervoersvoorziening toe te kennen vanaf de genoemde datum.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met toekenning van de taxivergoeding vanaf 29 juli 2004.