ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9754

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1863 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57, vierde lid, WAOArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank tot zelf voorziening bij terugvordering WAO-uitkering

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit tot terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen aan betrokkene vernietigde. Het UWV had betrokkene teruggevorderd voor de periode van 1 februari 2000 tot 1 augustus 2002. De rechtbank oordeelde dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond.

In het hoger beroep stelt het UWV dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien omdat na vernietiging van het besluit nog meerdere beslissingsmogelijkheden openstaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit en verwijst naar artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat de rechtbank slechts zelf kan voorzien indien na vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Deze situatie doet zich hier niet voor, zodat het hoger beroep van het UWV slaagt.

De Raad vernietigt het besluit van 18 november 2003 en draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat betrokkene geen proceskosten heeft gemaakt. Tevens wordt het griffierecht van €31,- aan betrokkene vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

05/1863 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 februari 2005, 03/5571 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 16 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellant was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk. Betrokkene is verschenen in persoon.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 september 2003 heeft appellant van betrokkene teruggevorderd hetgeen aan betrokkene in de periode van 1 februari 2000 tot 1 augustus 2002 onverschuldigd op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is betaald.
Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door appellant bij besluit van 18 november 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant ten onrechte geen dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO aanwezig heeft geacht op grond waarvan appellant geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien. De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat voor terugvordering geen plaats is.
De rechtbank heeft het door betrokkene tegen het besluit van 18 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 24 september 2003 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; een en ander met een nadere beslissing omtrent het griffierecht.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant opgemerkt dat appellant, gelet op het samenstel van bijzondere omstandigheden van het individuele geval, bij nader inzien kan instemmen met het oordeel van de rechtbank dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO. Appellant is bereid de terugvordering aanzienlijk te matigen. De aangevallen uitspraak laat echter slechts één mogelijkheid open, en wel het volledig afzien van terugvordering. Daarom handhaaft appellant het hoger beroep. Naar de mening van appellant had de rechtbank niet zelf in de zaak mogen voorzien, nu er na vernietiging van het bestreden besluit nog diverse beslissingen mogelijk blijven.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de rechtbank - kort samengevat - de bevoegdheid gegeven zelf in de zaak te voorzien. Deze bevoegdheid kan - naar in de wetsgeschiedenis is opgenomen - in beginsel slechts worden gebruikt indien na vernietiging door de rechtbank rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Zo een situatie doet zich hier niet voor.
Het hoger beroep van appellant slaagt mitsdien reeds hierom.
De Raad ziet geen aanleiding de opvatting van appellant dat het besluit van 18 november 2003 niet kan worden gehandhaafd niet te volgen. Dit besluit kan mitsdien evenmin in stand blijven.
Het is de Raad niet gebleken dat betrokkene voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt, zodat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 18 november 2003 gegrond;
Vernietigt dat besluit;
Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in eerste instantie betaalde griffierecht van € 31,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M. Gunter.
DK