ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank tot zelf voorziening bij terugvordering WAO-uitkering
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit tot terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen aan betrokkene vernietigde. Het UWV had betrokkene teruggevorderd voor de periode van 1 februari 2000 tot 1 augustus 2002. De rechtbank oordeelde dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond.
In het hoger beroep stelt het UWV dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien omdat na vernietiging van het besluit nog meerdere beslissingsmogelijkheden openstaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit en verwijst naar artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat de rechtbank slechts zelf kan voorzien indien na vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Deze situatie doet zich hier niet voor, zodat het hoger beroep van het UWV slaagt.
De Raad vernietigt het besluit van 18 november 2003 en draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat betrokkene geen proceskosten heeft gemaakt. Tevens wordt het griffierecht van €31,- aan betrokkene vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.