ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na WAO-schatting en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellant, een internationaal vrachtwagenchauffeur, viel in november 1999 uit met psychische klachten en later ook schouderklachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een mate van arbeidsongeschiktheid die varieerde van 25% tot 100%, afhankelijk van medische en arbeidskundige beoordelingen. In 2003 verlaagde het UWV de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid, wat door appellant werd aangevochten, maar de rechtbank en later de Raad bevestigden dit besluit.
Appellant meldde zich in februari 2004 ziek en vroeg ziekengeld aan, maar het UWV weigerde dit omdat hij volgens de WAO-schatting geschikt was voor ten minste één functie. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, onderbouwd met een psychiatrisch rapport. De Raad oordeelde echter dat de medische gegevens en arbeidskundige rapporten geen aanleiding gaven om de eerdere beoordeling te herzien.
De Raad benadrukte dat de definitie van ‘zijn arbeid’ in de Ziektewet verwijst naar de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij na wachttijd blijkt dat de verzekerde ongeschikt is voor zijn oude werk en geen ander werk heeft hervat. In dat geval geldt de WAO-schatting als maatstaf. Omdat appellant geschikt was voor functies uit de WAO-schatting, was er geen recht op ziekengeld. De Raad wees ook de argumenten van appellant over het opleidingsniveau en de aard van de functies af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank en het UWV, en wees het hoger beroep af. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de voorzitter en leden van de Raad, en griffier Janssen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt is voor ten minste één functie uit de WAO-schatting.