ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/1843 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 84, tweede lid Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bij terugvordering bijstandsuitkering wegens termijnoverschrijding

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Helmond waarin bijstandskosten over de periode van september 1998 tot maart 1999 mede van haar werden teruggevorderd. Het bezwaar werd door het College niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellante ook niet tijdig bezwaar had gemaakt nadat het besluit haar alsnog per aangetekende brief was toegezonden, welke zij niet had afgehaald.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij het aangetekende schrijven niet had opgehaald omdat zij niet begreep dat zij met de terugvordering te maken had en dat zij niet hoefde te begrijpen dat zij alsnog bezwaar kon maken. De Raad oordeelde dat het niet afhalen van de aangetekende brief voor eigen risico van appellante komt en dat geen reden bestaat om het verzuim te laten passeren. Ook het verweer dat zij niet hoefde te begrijpen dat zij bezwaar kon maken werd verworpen.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering bijstandsuitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het niet afhalen van het aangetekende besluit.

Uitspraak

06/1843 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2006, 05/429 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College)
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. RJ.S. Houtackers, advocaat te Mierlo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Houtackers. Het College heeft zich laten vertegen-woordigen door J.T.R. van Hall, werkzaam bij de gemeente Helmond. Tevens is daar verschenen de door appellante meegebrachte getuige [getuige], wonende te [woonplaats].
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 5 juli 1999 heeft het College met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) de gemaakte kosten van de over de periode van 21 september 1998 tot 1 maart 1999 aan [betrokkene], verstrekte bijstand tot een bedrag van f 10.037,12 mede van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 21 januari 2005, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar van 15 januari 2005 tegen het besluit van 5 juli 1999 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 januari 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover het beroep tegen het besluit van 21 januari 2005 ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft het besluit van 21 januari 2005 waarbij het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 juli 1999 niet-ontvankelijk is verklaard in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op 15 januari 2005 de bezwaartermijn ruimschoots verstreken was, en dat indien appellante het besluit van 5 juli 1999 destijds niet zou hebben ontvangen, (zoals zij heeft beweerd), appellante evenmin tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het haar bij aangetekende brief van 23 november 2004 alsnog toegezonden besluit. Daarbij heeft de rechtbank tevens overwogen dat het gegeven dat appellante het aangetekende schrijven niet heeft afgehaald - waardoor het op 16 december 2004 naar het College is geretourneerd - voor haar eigen rekening en risico dient te komen.
In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank bestreden, waarbij de Raad de grieven van appellante, voor zover van belang voor de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, in die zin verstaat dat er redenen zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij de aangetekend verzonden brief waarbij het besluit van 5 juli 1999 haar alsnog is toegezonden niet heeft opgehaald omdat zij meende niets te maken te hebben met de terugvordering door het College van de bijstand van [betrokkene]. Verder heeft appellante aangevoerd dat het besluit van 5 juli 1999 weliswaar een bezwaarclausule bevat, doch dat appellante niet hoefde te begrijpen dat zij alsnog bezwaar kon maken.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gevonden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is en dientengevolge niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege zou dienen te blijven. Ook de Raad is van oordeel dat de gevolgen van het niet afhalen van het aangetekende schrijven voor rekening en risico van appellante dienen te komen. De grief dat appellante niet hoefde te begrijpen dat zij alsnog bezwaar kon maken snijdt geen hout nu zij, zoals gezegd, het aangetekende schrijven met het daarbij toegezonden besluit om haar moverende redenen niet heeft afgehaald. Al hetgeen overigens is aangevoerd ziet niet op de hier in hoger beroep aan de orde zijnde vraag, en zal de Raad derhalve buiten bespreking laten.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.C. de Wit.
PR/170107