ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9976

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1788 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b ZWArt. 8 ArbeidsgehandicaptebesluitArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering ziekengeld aan arbeidsgehandicapte werknemer na vijf jaar dienstverband

Appellante was sinds 1 april 1997 in dienst als schaderegelaar en had de status van arbeidsgehandicapte. Het UWV weigerde haar ziekengeld per 15 september 2003 toe te kennen omdat zij op dat moment langer dan vijf jaar in dienst was en niet meer als arbeidsgehandicapte werknemer werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 29b van de Ziektewet geen aanspraak op ziekengeld bestaat als de ziekmelding na vijf jaar dienstverband plaatsvindt zonder verhoogd risico als bedoeld in artikel 8 van Pro het Arbeidsgehandicaptebesluit. Appellante kon geen rechten ontlenen aan informatie in een GAK-krant, omdat deze niet ondubbelzinnig en gerechtvaardigd was en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die tot afwijking konden leiden.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij met terugwerkende kracht per 1 maart 1999 als meer arbeidsongeschikt was erkend en dat daardoor een nieuwe periode van vijf jaar was aangevangen. Dit werd door het UWV en de Raad niet gevolgd, mede omdat het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering niet tijdig aan de rechtbank was overgelegd. De Raad oordeelde dat dit geen aanleiding gaf tot een ander oordeel en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante omdat haar ziekmelding na vijf jaar dienstverband plaatsvond zonder bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

05/1788 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 februari 2005, 04/2112 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellante is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Appellante trad op 1 april 1997 in dienst van [naam werkgever] als schaderegelaar. Op dat moment bezat appellante de status van arbeidsgehandicapte op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA).
Bij besluit van 21 oktober 2003 weigerde het Uwv appellante ter zake van haar ziekmelding per 15 september 2003 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken, omdat appellante op 15 september 2003 langer dan vijf jaar in dienst was van haar werkgever en niet als arbeidsgehandicapte werknemer kon worden gezien. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit verklaarde het Uwv bij besluit van 15 april 2004 (het bestreden besluit) ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen.
“In beroep voert eiseres aan dat, nu zij met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1999 vermeerderd arbeidsongeschikt is verklaard, vanaf die datum een nieuwe periode van vijf jaar als bedoeld in artikel 29b van de ZW is aangevangen en dat zij daarom recht heeft op een ZW-uitkering. Eiseres baseert zich hierbij onder meer op een informatiefolder van verweerder.
Verweerder heeft, in tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing is vermeld, in het verweerschrift van 14 juni 2004 aangegeven dat aan eiseres nog geen besluit is uitgereikt over een (nieuw) recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 maart 1999. Eiseres heeft dit bij brief van 1 juli 2004 bevestigd. Aangezien partijen ter zitting niet zijn verschenen om een toelichting te geven, gaat de rechtbank uit van hetgeen op dit punt in het verweerschrift is opgenomen en nadien door eiseres schriftelijk is bevestigd. Nu ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing aan eiseres nog geen besluit was uitgereikt ten aanzien van de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 1 maart 1999, behoeft de in dit kader aangevoerde beroepsgrond geen bespreking.”
In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat het Uwv haar bij besluit van
21 juli 2004 met ingang van 1 maart 1999 een WAO-uitkering heeft toegekend en dat dit besluit abusievelijk niet naar de rechtbank is gezonden, waardoor de rechtbank hiermee bij het geven van de aangevallen uitspraak geen rekening heeft kunnen houden. Appellante heeft ook in hoger beroep het standpunt ingenomen dat zij recht heeft op ziekengeld per 15 september 2003, gelet op informatie in een GAK-krant van september van een onbekend jaartal en het feit dat het Uwv haar met ingang van 1 maart 1999 toegenomen arbeidsongeschikt heeft geacht.
De Raad overweegt als volgt.
Appellante betwist niet dat haar ziekmelding per 15 september 2003 niet binnen vijf jaar na aanvang van haar dienstbetrekking heeft plaatsgevonden en evenmin dat er geen sprake is van een verhoogd risico als bedoeld in artikel 8 van Pro het Arbeidsgehandicaptebesluit. Op basis van de tekst van artikel 29b van de ZW kan appellante dan ook geen aanspraak maken op ziekengeld ter zake van haar ziekmelding per 15 september 2003.
Met het Uwv is de Raad van oordeel dat appellante evenmin aan de eerdergenoemde GAK-krant van september dergelijke aanspraken kan ontlenen. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen waarin toepassing van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard in strijd kan komen met het ongeschreven recht. Tot deze bijzondere omstandigheden kan behoren het geval waarin het bevoegd gezag ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste) inlichtingen heeft verschaft, die gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval naar het oordeel van de Raad geen sprake. Het gaat hier om een passage in een informatiefolder, waarvan de betekenis niet eens zonder meer duidelijk is. Overigens wijst de Raad in dit verband nog naar een brief van 1 juli 2004 van de gemachtigde van appellante aan de rechtbank, waarin wordt opgemerkt dat haar cliënte er mee bekend is dat geen rechten kunnen worden ontleend aan schriftelijke informatie van het Uwv. Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.J. Janssen.