ECLI:NL:CRVB:2007:BA0014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Beëindiging financiële tegemoetkoming autogebruik strijdig met gelijkheidsbeginsel
Appellant, die beperkingen ondervindt bij het zich verplaatsen, kreeg aanvankelijk een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van zijn eigen auto op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Het College beëindigde deze voorziening nadat appellant geen gebruik wilde maken van het collectief aanvullend openbaar vervoer (CAV). Vervolgens werd een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening afgewezen omdat appellant geen eigen auto meer had.
Appellant voerde aan dat hij het CAV niet kon gebruiken vanwege fysieke beperkingen en dat het beleid van het College in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat autobezitters wel een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen terwijl anderen dat niet kunnen. De Raad stelde vast dat medisch advies geen beperkingen aantoonde die het gebruik van het CAV onmogelijk maken.
De Raad oordeelde dat het beleid van het College onderscheid maakt tussen gehandicapten die wel en niet over een eigen auto of die van een huisgenoot beschikken, terwijl hiervoor geen deugdelijke rechtvaardiging bestaat. Dit beleid is strijdig met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de financiële tegemoetkoming wordt vernietigd vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.