ECLI:NL:CRVB:2007:BA0027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-264 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herzieningsbesluit WAO-uitkering ondanks betwisting maatmaninkomen en arbeidsmogelijkheden

Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, verzocht om herziening van zijn uitkering vanwege toegenomen klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek handhaafde het UWV het oorspronkelijke besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat de vastgestelde belastbaarheid en de door het UWV geselecteerde functies niet onjuist waren vastgesteld. De medische beoordeling, gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en aanvullende informatie van de huisarts, werd als voldoende betrouwbaar beschouwd.

Ook de berekening van het maatmaninkomen, inclusief het gebruik van CBS-indexcijfers, werd door de Raad als correct beoordeeld. De niet nader onderbouwde klachten van appellant konden niet leiden tot een ander oordeel.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij geen aanleiding was om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering ongewijzigd voort te zetten.

Uitspraak

05/264 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 december 2004, 04/570 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer P. Kreijnen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sinds geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij brief van 22 september 2002 heeft appellant verzocht om herziening van zijn uitkering in verband met toegenomen (heup-)klachten.
Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2003 de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij besluit van 25 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het namens appellant ingediende bezwaar tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad oordeelt als volgt.
Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad, evenals de rechtbank, dat de belastbaarheid van appellant met de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst van 24 april 2003, opgemaakt door de verzekeringsarts A. Lemlijn-Slenter en in bezwaar geaccordeerd door bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, niet is overschat.
De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat Lemijn-Slenter voornoemd appellant zelf heeft onderzocht. Voorts heeft zij informatie opgevraagd en op 12 maart 2003 ontvangen van appellants huisarts dr. P.J. Zwietering. Deze informatie heeft zij bij haar oordeelsvorming betrokken. Uit deze informatie vallen naar het oordeel van de Raad geen verdergaande beperkingen - op de in geding zijnde datum - af te leiden dan door de verzekeringsarts zijn aangenomen.
Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.
Uitgaande aldus van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde mogelijkheden van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid, is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. De Raad is voorts van oordeel dat de relevante markeringen ten aanzien van de geduide functies afdoende zijn toegelicht.
Wat betreft de, niet nader onderbouwde, grief dat sprake zou zijn van een onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen verwijst de Raad naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige L. de Ponti van 25 februari 2004 en 23 maart 2004 waarin onder andere een uitgebreide uiteenzetting van de (gewijzigde) berekening van appellants maatmaninkomen wordt gegeven. Ten aanzien van de juistheid van het gebruik van de CBS-indexcijfers bij de vaststelling van appellants maatmaninkomen door het Uwv in deze zaak, verwijst de Raad naar voornoemde rapportages, en met betrekking tot het algemene gebruik van CBS-indexcijfers naar zijn uitspraak van 11 oktober 2005, LJN: AU4362. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat deze vaststelling op onjuiste wijze is geschied.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.J. Janssen.