ECLI:NL:CRVB:2007:BA0032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, die haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% had vastgesteld per 24 juli 2003. De rechtbank Zutphen had deze intrekking reeds bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat appellante medisch gezien in staat was om diverse functies te verrichten die binnen haar beperkingen vielen.
Appellante voerde aan dat zij rugsparende werkzaamheden nodig had en dat de voorgestelde functies haar opleidingsniveau te boven gingen, en dat zij geen hele dagen achtereen kon werken. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies passend waren en dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden, mede op basis van rapportages van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen.
De Raad nam tevens kennis van de specifieke functiebelasting en concludeerde dat de belasting binnen de mogelijkheden van appellante bleef. De stelling dat het beoordelingssysteem onvoldoende transparant zou zijn, werd verworpen omdat voldoende toelichting was gegeven. Ook de vrees dat de intrekking de reïntegratie zou belemmeren, werd niet gevolgd omdat appellante reeds rugbelastende werkzaamheden verrichtte zonder resultaat.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldeed aan de vereiste zorgvuldigheid en er waren geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel zouden leiden.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 24 juli 2003 wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.