ECLI:NL:CRVB:2007:BA0169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-933 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering door UWV

Appellant is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin het besluit van het UWV werd bevestigd om de WAO-uitkering per 1 januari 2002 in te trekken en onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen.

De Raad heeft het procesverloop en de ingediende stukken beoordeeld, waarbij appellant en zijn gemachtigde niet aanwezig waren tijdens de zitting. De Raad onderschrijft volledig de overwegingen van de rechtbank en concludeert dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het bestreden besluit onjuist maken.

De medische verklaring van de huisarts kon niet aantonen dat appellant om medische redenen niet kon reageren op verzoeken van het UWV. Andere ingebrachte stukken waren niet relevant voor de procedure. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

Uitspraak

05/933 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 januari 2005, 04/857 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.M.C. Höppener.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht de aan appellant toegekende WAO-uitkering per 1 januari 2002 heeft ingetrokken en dat de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van
1 januari 2002 tot en met 5 februari 2003 ter hoogte van € 12.941,86 terecht is teruggevorderd.
Appellant heeft bij de Raad een uitgebreid hoger beroepschrift (met bijlagen) ingediend. Nader zijn er nog aanvullende stukken ingestuurd. In essentie zijn echter geen andere grieven ingediend dan bij de rechtbank.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank die grieven afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne.
Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep ingebrachte stukken overweegt de Raad het volgende. Uit de verklaring van de huisarts van 31 januari 2005 kan niet worden afgeleid dat appellant om medische redenen niet heeft kunnen reageren op de verzoeken van het Uwv van 19 februari 2003 en 2 juni 2003 om de jaarstukken in te dienen. Met betrekking tot de overige stukken overweegt de Raad dat die niet van belang zijn voor de in geding zijnde procedure.
Nu appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd die niet door de rechtbank zijn beoordeeld en de Raad, zoals hiervoor overwogen in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten kan vinden het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.
(get.) J. Janssen
(get.) M.C.T.M. Sonderegger