ECLI:NL:CRVB:2007:BA0314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde ANW-uitkering bij gezamenlijke huishouding
Appellante voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die de terugvordering van een onverschuldigd betaalde ANW-uitkering en een opgelegde boete door de Sociale verzekeringsbank (Svb) had bevestigd.
De Svb had vastgesteld dat appellante vanaf februari 2002 een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor de ANW-uitkering onverschuldigd was betaald. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de terugvordering ongegrond verklaard.
Appellante stelde dat de Svb te lang had gewacht met terugvorderen, waardoor het bedrag onaanvaardbaar hoog was opgelopen en haar recht op herleving van de uitkering was ontnomen. De Raad overwoog dat het stilzitten van de Svb betrekking had op de oorzaak van de terugvordering, niet op de financiële consequenties, en dat het besluit over de herziening met terugwerkende kracht rechtens onaantastbaar was.
De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van terugvordering en oordeelde dat de afhandelingsduur niet zodanig lang was dat dit gevolgen voor de terugvordering mocht hebben. Ook werd rekening gehouden met het minimuminkomen van appellante bij de wijze van terugbetaling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde ANW-uitkering en wijst het hoger beroep af.