ECLI:NL:CRVB:2007:BA0583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat haar klachten medisch niet waren geobjectiveerd en onvoldoende medische gegevens waren aangeleverd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten wel objectief waren en verwees naar een medisch rapport dat een chronisch pijnsyndroom constateerde. Tevens stelde zij dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ongerijmdheden bevatte en dat het besluit onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar was.
De Raad oordeelde dat er geen nieuwe, deskundig onderbouwde medische feiten waren ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden. De bezwaarverzekeringsarts had rekening gehouden met de klachten van appellante en een overtuigende motivering gegeven voor het ontbreken van een duurbeperking. De door appellante aangevoerde ongerijmdheden in de FML leidden niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV en wees het hoger beroep af. De Raad vond dat de medische en arbeidskundige grondslagen voldoende inzichtelijk en toetsbaar waren gemaakt.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit van het UWV bevestigd.