ECLI:NL:CRVB:2007:BA0906

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2296 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 6:9 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden in een zaak over de WAO. De Raad had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift na de termijn was ontvangen. Appellante kwam in verzet tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting was appellante niet aanwezig, maar het Uwv werd vertegenwoordigd. De Raad onderzocht of het beroepschrift tijdig was ingediend volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel het beroepschrift op 20 april 2006 bij de griffie werd ontvangen, was het gedagtekend op 14 april 2006, de laatste dag van de termijn.

De Raad kon de datum van postbezorging niet vaststellen vanwege onleesbare afstempeling op de enveloppe, waardoor niet kon worden uitgesloten dat het op 14 april was aangeboden. Gezien dit en het feit dat het beroepschrift niet later dan een week na de termijn werd ontvangen, gaf de Raad appellante het voordeel van de twijfel en oordeelde dat het beroepschrift tijdig was ingediend.

Hierdoor werd het verzet gegrond verklaard, verviel de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en werd het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

06/2296 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2006, 05/904 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) van 26 juli 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 26 juli 2006 is drs. J.E. de Boer, wonende te Oranjewoud, namens appellante in verzet gekomen.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 30 januari 2007, waar appellante – met voorafgaand bericht – niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
Naar aanleiding van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 26 juli 2006 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.
Ingevolge artikel 6:6, eerste lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het beroepschrift is gedagtekend op 14 april 2006.
Uitgaande van 3 maart 2006 als de datum van bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank, is 14 april 2006 de laatste dag van de hoger beroepstermijn. Het hoger beroepschrift is op 20 april 2006 ter griffie van de Raad ontvangen, hetgeen zou kunnen betekenen dat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
De afstempeling van de enveloppe waarmee het hoger beroepschrift ter post is aangeboden, is echter niet te lezen, zodat niet valt uit te sluiten dat die aanbieding op 14 april 2006 heeft plaatsgevonden.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het hoger beroep niet later dan een week na 14 april 2006 is ontvangen, is de Raad van oordeel dat appellante het voordeel van de twijfel toekomt en dat het hoger beroep, mede gelet op artikel 6:9, tweede lid van de Awb, als tijdig ingediend moet worden beschouwd.
Uit het vorenstaande volgt dat het namens appellante gedane verzet gegrond dient te worden verklaard.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.