ECLI:NL:CRVB:2007:BA1031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3370 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering WUV-uitkering wegens onvoldoende verminderd functioneren

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad om haar aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) af te wijzen. De Raad stelde vast dat hoewel appellante psychische klachten heeft die verband houden met de vervolging, deze niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten.

De medische adviezen, waaronder een rapport van arts N.F. Vogel, toonden aan dat de fysieke klachten van appellante niet causaal waren aan de vervolging en dat de psychische klachten slechts tot geringe tot matige beperkingen leidden. In twee van de vier rubrieken voor invaliditeitsbeoordeling werden beperkingen vastgesteld, maar dit voldeed niet aan de criteria voor verminderd functioneren.

Appellante weigerde mee te werken aan aanvullend medisch onderzoek, waardoor de Raad zich baseerde op de beschikbare gegevens. De Raad vond het standpunt van de verweerster voldoende gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van een WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3370 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 april 2006, kenmerk JZ/P70/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Aldaar zijn namens appellante verschenen respectievelijk [naam zoon], wonende te Berkel en Rodenrijs en [naam dochter], wonende te Waalwijk, zoon en dochter van appellante, als haar gemachtigden. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van verweersters rechtsvoorganger van 2 februari 1978 is appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Een door appellante aangevraagde periodieke uitkering is niet toegekend. Bij genoemd besluit is in navolging van de geneeskundig adviseurs het standpunt ingenomen dat bij appellante wèl ziekten en gebreken bestaan, maar dat deze duidelijk uit andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Bij schrijven van 2 april 2004 heeft appellante een gecombineerde hernieuwde aanvraag ingediend om onder meer in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) en in het kader van de Wet. Daarbij is aangevoerd dat zij lijdende is aan toegenomen psychische klachten, rug- en schouderklachten en klachten aan haar achilleshiel.
Bij besluit van 8 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster appellante op grond van de WUBO in aanmerking gebracht voor een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden en enige voorzieningen. Het hernieuwde verzoek om een periodieke uitkering is afgewezen op de grond dat de psychische klachten van appellante, die in verband staan met de vervolging, niet hebben geleid tot verminderd functioneren ten opzichte van haar leeftijdsgenoten.
Appellante kan zich niet verenigen met het door verweerster ingenomen standpunt omdat zij van mening is dat zij wel degelijk verminderd functioneert ten opzichte van haar leeftijdgenoten.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat het in het bestreden besluit neergelegde en ter zitting nog nader aangevulde standpunt van verweerster in overeenstemming is met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviseurs beschikten over het rapport d.d. 11 april 2005 van het door de arts N.F. Vogel verrichte onderzoek alsmede over informatie van de behandelende sector. Genoemde arts heeft bij appellante vastgesteld dat de hoofdpijnklachten, de rug- en schouderklachten en de pijn in de achilleshiel niet causaal zijn in de zin van de Wet. De causale psychische klachten leiden tot geringe tot matige beperkingen in het dagelijks functioneren. In het kader van het in bezwaar opgestelde medische advies komt naar voren dat er tevens beperkingen bestaan in de stressadaptatie. In de overige door verweerster ter bepaling van invaliditeit gehanteerde rubrieken (sociaal functioneren, concentratie, tempo en volharding) zijn geen beperkingen vastgesteld. Geconcludeerd is dat er in twee van de vier rubrieken beperkingen in het functioneren ten gevolge van de causale psychische klachten bestaan en dat er hierdoor niet voldaan wordt aan de criteria welke zijn vastgesteld voor de beoordeling of er sprake is van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen, nog aangevuld met hetgeen ter zitting is ingebracht, voldoende deugdelijk gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante heeft geweigerd deel te nemen aan nader door verweerster wenselijk geacht medisch (psychiatrisch) onderzoek, zodat voor verweerster geen andere mogelijkheid bestond dan op basis van de beschikbare gegevens tot een oordeel te komen over de ernst van de psychische klachten van appellante en de daarmee samenhangende beperkingen.
Uit de hem ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanleiding gevonden het standpunt van verweerster onjuist te achten.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.
Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.