ECLI:NL:CRVB:2007:BA1032

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3371 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit ingangsdatum voorzieningen WUVArt. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 30 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum voorzieningen Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raadskamer WUV over de ingangsdatum van haar voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij reeds op 6 augustus 2003 een aanvraag had ingediend tijdens een spreekuur bij het Nederlands Informatie Kantoor in Jeruzalem. Verweerster stelde dat geen aanvraag was ontvangen en dat daarom 25 maart 2004 als aanvraagdatum moest gelden.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 2 van Pro het Besluit ingangsdatum voorzieningen WUV de vergoedingen ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Omdat geen schriftelijke aanvraag bij het NIK was ontvangen, kon de stelling van appellante dat zij op het spreekuur formulieren had ingevuld niet leiden tot een eerdere ingangsdatum. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een eerdere indiening redelijkerwijs onmogelijk maakten.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de voorzieningen blijft 1 maart 2004.

Uitspraak

06/3371 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], Israël (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 9 maart 2006, kenmerk JZ/A60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Namens appellante is verschenen mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is naar aanleiding van haar brief van 25 maart 2004, welke is aangemerkt als een eerste aanvraag, op grond van haar oorlogsgerelateerde problematiek bij het thans bestreden besluit gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van artikel 2 van Pro de Wet. Aan haar is met ingang van 1 maart 2004 een aantal voorzieningen toegekend.
2. In beroep is slechts deze ingangsdatum tussen partijen in geschil. Namens appellante is aangevoerd dat appellante reeds op 6 augustus 2003 tijdens een spreekuur bij het Nederlands Informatie Kantoor (NIK) in Jeruzalem een aanvraag voor deze voorzieningen heeft ingediend, hetgeen zou blijken uit het zich in haar dossier bevindende sociaal rapport. Verweerster heeft aangevoerd dat, nu er geen aanvraag bij het NIK in Jeruzalem is ontvangen, gelet op artikel 30 van Pro de Wet uitgegaan dient te worden van 25 maart 2004 als aanvraagdatum. Verweerster heeft evenmin aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 2, tweede lid, van het Besluit ingangsdatum voorzieningen WUV, op de grond dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor appellante haar aanvraag redelijkerwijs niet eerder zou hebben kunnen indienen.
3. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit ingangsdatum voorzieningen WUV (verder: het Besluit), gaan de vergoedingen en de tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan verweerster, indien de aanvraag is ingediend nadat de betreffende kosten zijn gemaakt, de vergoeding of tegemoetkoming toch verlenen - behoudens het bepaalde in het derde lid - met ingang van het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt of in rekening gebracht, indien zij die afwijking bij afweging van alle omstandigheden noodzakelijk acht.
3.2. De Raad kan verweerster volgen in het standpunt dat, nu geen schriftelijke aanvraag van appellante is ontvangen bij het NIK, in dit geval moet worden uitgegaan van de brief van appellante van 25 maart 2004 als aanvraagdatum. De stelling dat appellante op
6 augustus 2003 op het spreekuur is geweest en daar formulieren heeft ingevuld kan niet tot een ander oordeel leiden, nu die formulieren nooit - ook later niet - door het NIK zijn ontvangen. Dat de spreekuurhoudster zich herinnert dat appellante op het spreekuur is geweest en dat er aanvragen zijn gedaan acht de Raad in dit kader onvoldoende, temeer nu er ook geen kopieën van die eerdere aanvragen zijn overgelegd. Het bestreden besluit is dus in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit.
3.3. Ten aanzien van de vraag of verweerster toepassing had behoren te geven aan artikel 2, tweede lid, van het Besluit overweegt de Raad als volgt. Verweerster heeft het standpunt ingenomen dat niet is gebleken van omstandigheden die appellante hebben verhinderd om eerder dan in maart 2004 tot indiening van de onderhavige aanvraag over te gaan. Dat appellante pas een jaar geleden gehoord zou hebben van de mogelijkheid om een aanvraag in het kader van de WUV in te dienen heeft verweerster niet beschouwd als een bijzondere omstandigheid. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat verweerster niet in redelijkheid op deze gronden kon beslissen van deze bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel daarmee anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.
4. Gezien het vorenstaande treft het beroep geen doel en houdt het bestreden besluit in rechte stand.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.