ECLI:NL:CRVB:2007:BA1106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na succesvol bezwaar werkgever
Appellante, werkzaam als advocaat, viel uit wegens zwangerschaps- en spanningsklachten. Na toekenning van een WAO-uitkering op basis van een medisch onderzoek, stelde een bezwaarverzekeringsarts dat er geen sprake was van ziekte of gebrek volgens WAO-criteria. Het UWV trok de uitkering per 12 september 2002 in na bezwaar van de werkgever.
De rechtbank vernietigde een eerder besluit en bepaalde dat de periode van ziekteverlof in verband met bevalling niet meegeteld mocht worden bij de WAO-beoordeling. Na nieuw onderzoek bleef de conclusie dat appellante niet arbeidsongeschikt was volgens WAO. De Raad bevestigt deze conclusie en oordeelt dat het UWV terecht gebruik mocht maken van gegevens uit de Ziektewet voor de WAO-beoordeling.
Appellante voerde aan dat de bezwaarverzekeringsarts een lichamelijk onderzoek had moeten doen en dat het gebruik van Ziektewetgegevens onrechtmatig was. Ook stelde zij dat de intrekkingsdatum niet correct was vastgesteld. De Raad verwierp deze grieven en oordeelde dat de intrekking met ingang van 12 september 2002 rechtmatig was, mede omdat appellante tijdig op de hoogte was gesteld en zich kon voorbereiden.
De uitspraak benadrukt dat de medische beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd en dat de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 36b van de WAO, correct zijn toegepast. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 12 september 2002 wordt bevestigd.