ECLI:NL:CRVB:2007:BA1206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
Appellant, werkzaam als docent met een WAO-uitkering, werd geconfronteerd met een herziening van zijn uitkering door het Uwv, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd van 80-100% naar 65-80%. Appellant stelde dat deze herziening in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, omdat eerdere beslissingen van het Uwv een ander beeld gaven en hij niet duidelijk was geïnformeerd over de gevolgen van zijn urenuitbreiding.
De Raad overwoog dat het vertrouwensbeginsel niet geschonden was, omdat de eerdere beslissing een ander geschil betrof en appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het uitblijven van herziening. Het rechtszekerheidsbeginsel werd eveneens niet geschonden, omdat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat de uitbreiding van zijn arbeidsuren en het daarmee gepaard gaande salaris invloed konden hebben op zijn uitkering, en hij niet aan zijn meldingsplicht had voldaan.
De Raad concludeerde dat de herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht rechtmatig was en bevestigde het bestreden besluit van de rechtbank Rotterdam. Hiermee werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.