ECLI:NL:CRVB:2007:BA1261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3987 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van medische beoordeling

Appellant viel sinds 18 februari 2000 uit als werkleider textiel en ontving vanaf 16 februari 2001 een WAO-uitkering berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat de arbeidsongeschiktheid was gewijzigd. Op 22 februari 2002 werd de uitkering herzien naar 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit. Het UWV liet daarop een psychiater-psychoanalyticus, B. Oskam, een onderzoek verrichten dat leidde tot een rapport waarin de aard van de aandoening en beperkingen werden beschreven. Op basis hiervan handhaafde het UWV het besluit van 3 november 2003. Appellant stelde beroep in, dat door de rechtbank werd afgewezen.

In hoger beroep beperkte appellant zich tot het medische deel van het besluit en betoogde volledige arbeidsongeschiktheid vanwege psychische klachten. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om het oordeel van de psychiater te weerleggen. De visie van een psycholoog werd niet als medisch bewijs erkend. Ook werd erkend dat appellant geen psychiatrische behandeling onderging. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

04/3987 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van rechtbank Haarlem van 10 juni 2004, 03/1966 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wernik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is op 18 februari 2000 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als werkleider textiel in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening. Per 16 februari 2001 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant was gewijzigd. Bij besluit van 22 februari 2002 heeft het Uwv daarom de WAO-uitkering per 23 april 2002 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Appellant heeft tegen het besluit van 22 februari 2002 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft het Uwv psychiater-psychoanalyticus B. Oskam (hierna Oskam) verzocht appellant te onderzoeken en een rapport uit te brengen waarin antwoord werd gegeven op onder meer de vraag wat de aard van de aandoening van appellant was en welke beperkingen daaruit voortvloeiden. Oskam heeft dat onderzoek uitgevoerd en heeft appellant op 16 september 2003 onderzocht. Vervolgens heeft Oskam op 2 oktober 2003 gerapporteerd. Mede op basis van de rapportage van Oskam heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 3 november 2003 het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 april 2002 op 45 tot 55% gesteld diende te worden.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op de stellingen van appellant in hoger beroep, en mede gelet op hetgeen door de gemachtigde ter zitting aan de orde is gesteld, beperkt het hoger beroep van appellant zich tot het medische deel van het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank daarover. Volgens appellant is hij op basis van zijn psychische klachten volledig arbeidsongeschikt.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en met hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het onderzoek naar de beperkingen van appellant voldoende zorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft een expertise laten verrichten door een psychiater. Appellant heeft tegen diens conclusies onvoldoende medische beoordelingen of stukken ingebracht. De visie van psycholoog C.M. Verschuren beschouwt de Raad niet als zodanig, ten eerste omdat diens visie niet met die van een medicus gelijk gesteld kan worden, ten tweede omdat diens conclusie dat appellant volledig ongeschikt is voor het verrichten van arbeid niet wordt gedragen door enige medische onderbouwing. Nog ter zitting is door de gemachtigde van appellant erkend dat appellant niet onder behandeling is bij een psychiater noch dat er sprake is van medicatie. Dat die behandeling om financiële redenen achterwege zou blijven doet daaraan niet af.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.