ECLI:NL:CRVB:2007:BA1295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid UWV tot weigering Ziektewetuitkering na eerdere rechterlijke uitspraak
Appellante trad op 7 maart 2001 in dienst als verkoopster/caissière en meldde zich op 5 juni 2001 ziek, waarna het UWV haar een Ziektewetuitkering weigerde op grond van artikel 44 ZW Pro. De rechtbank vernietigde het eerste besluit en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het nieuwe besluit, gebaseerd op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts, verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het UWV bevoegd was het besluit te nemen en dat de wijze van toepassing van artikel 44 ZW Pro door het UWV standhoudt onder rechterlijke toetsing. De Raad bevestigt dat appellante reeds bij aanvang van de verzekering ongeschikt was haar arbeid te verrichten en dat geen relevante wijziging in haar gezondheidstoestand plaatsvond tussen aanvang verzekering en uitval.
De Raad verwijst voorts naar een eerdere uitspraak inzake een Wajong-procedure en ziet geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV bevoegd was de Ziektewetuitkering te weigeren en wijst het hoger beroep af.