ECLI:NL:CRVB:2007:BA1373

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-452 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBArt. 16 WWBRegeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toekenning bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten wegens voorliggende voorziening

Appellante heeft op 7 april 2004 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een frameprothese voor de boven- en onderkaak. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 1 juli 2004 af en verklaarde het bezwaar op 23 september 2004 ongegrond, omdat appellante aanspraak kon maken op een voorliggende voorziening op grond van de Ziekenfondswet en de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering.

De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing op 5 december 2005, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het College niet bevoegd was bijzondere bijstand toe te kennen voor de gevraagde kosten, aangezien de Regeling tandheelkundige hulp een passend en toereikend basispakket biedt, ook voor volwassen verzekerden zoals appellante.

Verder wees de Raad erop dat artikel 15, eerste lid, van de WWB toekenning van bijzondere bijstand in de weg staat bij het bestaan van een voorliggende voorziening, tenzij zeer dringende redenen volgens artikel 16, eerste lid, WWB aanwezig zijn. Appellante kon echter geen acute noodsituatie of onvermijdelijke behoeftige omstandigheden aantonen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten is terecht afgewezen wegens het bestaan van een voorliggende voorziening en het ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

06/452 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2005, 04/5519 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft M. Benbrahim hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 7 april 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een tandheelkundige behandeling, te weten een frameprothese voor de boven- en onderkaak. Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen.
Bij besluit van 23 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2004 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat appellante een beroep kan doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Ziekenfondswet gold ten tijde hier van belang voor de in geding zijnde kosten, gelet op de aanspraken ingevolge de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering voor verzekerden als appellante, als een voorliggende, passende en toereikende voorziening. De Raad wijst er in dat verband nog op dat met deze Regeling beoogd is aan een ieder een basispakket voor tandheelkundige hulp te bieden (met de nadruk op preventieve zorg) en dat naast de in artikel 6 van Pro de Regeling bedoelde voorzieningen voor volwassen verzekerden blijkens het bepaalde in artikel 8 van Pro de Regeling ook andere tandheelkundige hulp beschikbaar is. Het enkele feit dat daarvoor een bijzondere indicatie geldt doet daaraan niet af. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de gevraagde kosten in de weg staat.
Het eerste lid van artikel 16 van Pro de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht en de gedingstukken ziet de Raad geen aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van appellante sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten zodat de betreffende aanvraag terecht is afgewezen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) L.M. Reijnierse.
TG15022007