ECLI:NL:CRVB:2007:BA1394

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6545 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding kosten diagnoserapport in WAO-uitkeringszaak

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen en verzocht tevens om vergoeding van de kosten van een door Instituut Psychosofia opgesteld diagnoserapport. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep verder ongegrond, maar kende wel een vergoeding toe voor rechtsbijstand.

In hoger beroep stelde appellante dat het rapport wel voor vergoeding in aanmerking moest komen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het bestreden besluit van 11 maart 2004 slechts een aanvulling was en het eerdere besluit niet verving, waardoor het beroep tegen het besluit van 20 januari 2004 ontvankelijk was. De Raad verwierp de vergoeding van het rapport opnieuw, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin de vergoeding van dergelijke rapporten was uitgesloten.

De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep, waaronder de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van het diagnoserapport wordt afgewezen.

Uitspraak

04/6545 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004, 04/298 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van het verweerschrift heeft mr. De Jonge haar standpunt bij schrijven van 5 juli 2005 nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2006.
Voor appellante is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 december 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
Bij besluit van 20 januari 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van
19 december 2002 gegrond verklaard en aan appellante alsnog per 17 februari 2003 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv tevens met toepassing van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist op het door appellante ingediende verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten en wel in die zin dat het verzoek om vergoeding van de kosten van het door mevrouw Verhage van Instituut Psychosofia opgestelde diagnoserapport is afgewezen en dat een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand is toegekend.
Appellante heeft haar beroep bij de rechtbank uitdrukkelijk beperkt tot dat deel van het bestreden besluit waarbij afwijzend is beslist op haar verzoek om vergoeding van de kosten van het rapport van mevrouw Verhage.
Bij schrijven van 11 maart 2004 heeft het Uwv het bestreden besluit aangevuld in dier voege dat alsnog de kosten van het opvragen van inlichtingen bij de behandelende sector zijn vergoed.
De rechtbank heeft het besluit van 11 maart 2004 met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede in haar beoordeling betrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het (oorspronkelijke) besluit van 21 (lees: 20) januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts aanleiding gevonden om ter zake van de kosten van rechtsbijstand in beroep een vergoeding van € 644,- vast te stellen.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Zij meent dat het in de bezwaarprocedure uitgebrachte rapport van mevrouw Verhage wel voor vergoeding in aanmerking komt.
De Raad volgt de rechtbank niet in haar beslissing om het beroep tegen het besluit van 20 januari 2004 niet-ontvankelijk te verklaren. Het besluit van 11 maart 2004 is immers niet in de plaats getreden van het besluit van 20 januari 2004; het brengt daarin slechts een (niet door appellante bestreden) wijziging. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
Met betrekking tot de vervolgens ter beantwoording voorliggende vraag of het bestreden besluit, voor zover dit in beroep is bestreden, in rechte stand houdt, overweegt de Raad het volgende.
De gemachtigde van appellante heeft onder aanvoering van haar uit tal van andere beroepszaken bekende argumenten getracht de Raad ervan te overtuigen dat het rapport van mevrouw Verhage met toepassing van artikel 7:15 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed behoort te worden. Deze argumenten treffen geen doel. De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN: AT4323) uitgebreid uiteengezet waarom de rapporten van mevrouw Verhage niet voor vergoeding in aanmerking komen. Duidelijker dan in die uitspraak kan de Raad het niet zeggen. Daarom volstaat de Raad ook thans met een verwijzing naar die uitspraak.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
In de vernietiging van de aangevallen uitspraak ziet de Raad aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep alsnog ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 102,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.